17-01-2018 - Design weet steeds beter een plek te veroveren in de museumwereld. Een inventarisatie over de stand en status.

TEKST EDO DIJKSTERHUIS

Design weet steeds beter een plek te veroveren binnen de Nederlandse musea. Over de manier van tentoonstellen bestaat echter geen consensus, noch over het verzamelbeleid. In de afgelopen twee jaar zijn er bovendien twee musea ontstaan die geheel gericht zijn op design. En een volgend initiatief is in de maak. Hoog tijd voor een inventarisatie van de staat en status van design in museaal Nederland. 

Vroeg Droog. Beyond Generations. Celebrating Ceramics: 100 jaar Ettore Sottsass. Hide & Seek, Maarten Baas. Bakeliet, wie kent het niet? Change the System. Het is een willekeurige greep uit het recente aanbod designtentoonstellingen in Nederlandse musea. Best veel, best divers. 'Maar het is onvoldoende', vindt Dingeman Kuilman, die voorheen leiding gaf aan designinstituut Premsela en tegenwoordig directeur is van het Stedelijk Museum Breda. 'Breathing Colour, de Hella Jongerius-tentoonstelling die het Londense Design Museum deze zomer toonde, ademde een ambitieniveau en had een impact die we missen in Nederland. Het heeft te maken met efficiency-drang. Er is voor design vaak maar één conservator, meestal nog freelance ook, en middelen om drie, vier jaar research te doen ontbreken. De presentaties zijn daardoor vluchtiger. En het gaat al snel goed natuurlijk: een paar spulletjes, verhaal erbij, frisse jongen of meisje, en klaar. Maar het ontstijgt meestal het conceptstoreniveau niet.'


'ER GEBEURT VEEL
IN HET VELD MAAR
MUSEA BLIJVEN ACHTER
–VOORAL IN DE MANIER
WAAROP DESIGN
WORDT GEPRESENTEERD'

Annemartine van Kesteren,
conservator design Museum Boijmans van Beuningen

 

'Er gebeurt veel in het veld maar musea blijven achter, vooral in de manier waarop design wordt gepresenteerd', erkent Annemartine van Kesteren, conservator design van Museum Boijmans Van Beuningen. In 2012 begon zij daarom te experimenteren met alternatieve vormen. In de serie Design Columns brengt ze ontwerpers en museumbezoekers samen om 'onbevangen door de commercie en aan de hand van de actualiteit' te discussiëren over design en dit te duiden. De valkuilen van sociale media, vogelgriep, de uitzichtloosheid van de recessie, big data – het passeerde allemaal de revue. 'Naar aanleiding van de Design Column over de vluchtelingencrisis organiseerden we met Stichting DOEN een expertmeeting', vertelt Van Kesteren. 'Daar koppelden we ontwerpers en sociale ondernemers aan gemeenten en opvangcentra. Als museum functioneren we als debatplatform en matchmaker.'

 De bevindingen van Design Column zullen zeker hun weerslag hebben op de vaste collectieopstelling hoewel Van Kesteren nog niet weet hoe. 'Het gaat steeds minder om dingen en steeds meer om doelstellingen. Dat roept vragen op over wat te bewaren en hoe. We hebben bijvoorbeeld een prototype van Dave Hakkens' Phonebloks maar het verhaal over de crowdsourcing achter het object is interessanter dan het ding zelf. Zeker in het geval van social design en interventies – inmiddels erkend onderdeel van het Nederlands cultureel erfgoed – weten we nog niet goed hoe we dat het beste kunnen documenteren. Dat is een urgent probleem.' 

Toetjesrestaurant

 Maar ook waar het 'gewoon' voorwerpen betreft, iconisch of niet, is het tentoonstellen van design een vak apart. En dat wordt niet altijd onderkend, vindt Ingeborg de Roode, conservator industriële vormgeving bij het Stedelijk Museum Amsterdam. 'Meer dan bij beeldende kunst is het tentoonstellingsontwerp van groot belang bij vormgeving. Het materiaal hangt niet aan de wand en staat niet op de vloer. Je hebt altijd displays nodig en dat vergt enorm veel aandacht en budget. Omdat het bovendien gaat om voorwerpen die hun betekenis ontlenen aan gebruik, moet je altijd nadenken over de presentatievorm. Als je meerdere exemplaren hebt kun je een object op verschillende manieren tonen. Je kunt ook werken met filmpjes of replica's die bezoekers mogen aanraken.'

 En dan is er nog de contextkwestie. Het Stedelijk Museum Amsterdam heeft een vijftigduizend stuks tellende designverzameling en is daarmee een grote speler binnen het museale veld. Binnen de vaste collectiepresentatie had vormgeving tot nu toe een eigen plaats. Gijs van Tuyl, de directeur onder wie de herinrichting na de verbouwing was voorbereid, had dat zo besloten. De onlangs opgestapte Beatrix Ruf opteerde echter voor een geïntegreerde aanpak, waarbij design per tijdvak en thematisch wordt gecombineerd met beeldende kunst. 'Het is niet meer één doorlopend verhaal', stelt De Roode, die zelf vooral bij het historische deel betrokken was. 'Veel komt terug: Bauhaus, De Stijl, De Amsterdamse School en plastic objecten uit de sixties. Maar door een nieuw presentatieontwerp zijn er veel doorkijkjes en kunnen er allerlei verbanden worden gelegd.'

 BNO-directeur Madeleine van Lennep sprak in een brief aan Ruf haar bezorgdheid uit over de geïntegreerde aanpak. 'Beeldende kunst en vormgeving zijn disciplines met eigen wetten, eigen omstandigheden en eigen praktijken. Daar is een specifieke expertise voor nodig. We impliceerden in die brief dat als je vormgeving samen met beeldende kunst presenteert, er wel recht aan moet worden gedaan.'

Ook Dingeman Kuilman is voor het onafhankelijk tonen van design. 'Zodra je het inbedt in beeldende kunst kun je de breedte van het vakgebied niet laten zien.' In het verlengde daarvan is Kuilman tegen het isoleren van designdisciplines, zoals gebeurde met grafische vormgeving in MOTI, de voorloper van het museum waar hij nu directeur is. 'Je begint toch ook geen toetjesrestaurant? En al helemaal niet in een middelgrote stad. Je moet de volle breedte pakken om design goed te contextualiseren. Qua presentatie levert dat een hybride model op, met het charisma en esthetiek van de beeldende kunst en de educatieve invalshoek die hoort bij techniek en wetenschap.'

 Ondergeschoven kindje

Maar misschien is het museum u?berhaupt niet de aangewezen plek om hedendaags design te tonen. Anne van der Zwaag, directeur van designbeurs Object, vindt veel museale presentaties statisch. 'Voor een historisch overzicht kan het misschien nog, maar die manier van presenteren komt niet overeen met wat design tegenwoordig is. De vernieuwing en de dynamiek zijn te vinden in studio's en op beurzen. Binnen een kunsthalopzet zou je nog snel kunnen inspringen op de actualiteit, maar musea met hun lange voorbereidingstijd kunnen dat meestal niet.'

'Een evenement als de Dutch Design Week (DDW) doet honderd keer meer voor ons vakgebied dan welke grote designtentoonstelling ook', voegt Miriam van der Lubbe toe. De vormgever en medenaamgever van Studio Van Eijk & Van der Lubbe stond in 2000 aan de wieg van de DDW. 'Hier wordt iets teruggegeven aan de samenleving. Terwijl je bij musea vaak de beleidsstukken door het tentoonstellingsconcept heen ziet schemeren, gaat het bij de DDW over vraagstukken van nu. De noodzaak is voelbaar en dat werkt als een open uitnodiging richting publiek. Musea zijn veel geslotener.' 

 Musea zijn bovendien een minder vanzelfsprekend podium voor designers, die meer ondernemer zijn dan kunstenaar. 'Wat levert een museumtentoonstelling op?', vraagt Chris Kabel zich af. 'Het is natuurlijk een nemen, als vertrekpunt. Denk aan protheses of het speculatieve design van Dunne & Raby. Onlangs kochten we al een Snapchat-bril.’ De manier waarop de bestaande collectie wordt getoond, moet volgens De Rijk ook op de schop. Wat hij daarmee bedoelt was onlangs te zien in Style Drive, waarvoor styliste Ellie Uyttenbroek gewone Rotterdammers liet poseren met topstukken uit de collectie in of naast de auto waar ze hun identiteit deels aan ontlenen. ‘Als museum moet je jezelf de vraag stellen: wat gebeurt er met de betekenis van design als het wordt gebruikt? De sieraden die in de jaren zestig en zeventig nog symbool stonden voor homo-emancipatie of verzet tegen de burgerlijkheid, zijn verworden tot museumstukken in vitrines. Ze verwijzen alleen nog naar zichzelf. Dat is mummificatie. Met deze tentoonstelling hebben we geprobeerd er lucht in te blazen en het design te revitaliseren.’

 Design als werkwoord

Nog voor het omgekatte SM’s was er Cube. Anderhalf jaar geleden opende het instituut in Kerkrade als eerste designmuseum van Nederland. ‘Er is voldoende design aanwezig in museumcollecties maar het wordt onvoldoende ontsloten en zichtbaar gemaakt’, motiveert directeur Hans Gubbels de oprichting van Cube. ‘Musea zijn traditioneel gericht op beheer en behoud. Ze zijn er niet op ingericht om de snelle ontwikkeling van design te volgen. Met Cube willen wij functioneren als een permeabel membraan tussen design en samenleving. Dat betekent dat je meer doet dan tentoonstellingen maken. Het museum is een forum voor discussie en activiteiten en niet alleen een zender van informatie maar onderdeel van het designproces.’

 Die visie krijgt concrete invulling in de vorm van permanente designlabs, waar bezoekers, studenten en vormgevers als onderdeel van tentoonstellingen zelf aan nieuw design werken. Bovendien is er een randprogramma met symposia en lezingen. ‘In het Nederlands is “design” een zelfstandig naamwoord, maar in het Engels is het ook een werkwoord. En om dat laatste gaat het ons: het wordingsproces.’

 Gubbels heeft zichzelf drie jaar de tijd gegeven om de precieze koers van Cube te bepalen. Halverwege die periode heeft hij al wat lessen geleerd. ‘Het oude dilemma “bezoekersaantallen of relevantie” steekt telkens weer de kop op. Met nog een Eames- tentoonstelling trekt je natuurlijk lekker veel publiek, maar we willen onze ambitie niet verloochenen en dan liever zelf een fooddesigntentoonstelling maken over bijvoorbeeld kweekvlees die minder mensen trekt.’

 Graag zou Cube, dat zelf geen collectie bezit, nog meer samenwerken met collega-musea. ‘Er is nog te weinig uitwisseling’, vindt Gubbels. ‘Dat komt deels doordat je ergens ook concurrenten bent, die in dezelfde vijver vissen. Maar het heeft zeker ook te maken met beperkte capaciteit en middelen. 


'DESIGN IS EEN VAK
EN DAAR KUN JE
EEN DEBAT
OVER VOEREN'

Timo de Rijk, directeur Stedelijk Museum 's-Hertogenbosch

 

Buitenlandse musea zijn veel beter geoutilleerd en kunnen daardoor boven de dagelijkse gang van zaken uitstijgen. Dat merken we nu ook in onze samenwerking met Cooper Hewitt in New York. Met dat museum maken we in 2019 een grote tentoonstelling rondom het thema natuur. Een omvangrijke en meer experimentele presentatie met internationale input en een platform voor Nederlandse designers. Als dat lukt hebben we onze koers te pakken.'

 Grootste erfgoedvraag

En er staat ons nog meer te wachten. De gemeente Eindhoven wil het voormalige technologiemuseum Evoluon omvormen tot designhotspot. En het Wim Crouwel Instituut, nu nog onderdeel van de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, gaat in de nabije toekomst nauw samenwerken met het Allard Pierson Museum. Het museum gaat één à twee keer per jaar grote tentoonstellingen maken op het gebied van grafische vormgeving, waarvan Modernism: in print afgelopen zomer een voorproefje was.

 Ook Het Nieuwe Instituut, hét nationale instituut voor architectuur, digitale cultuur en design, roert zich. Het wil een tijdelijke dependance openen om designarchieven te ontsluiten. 'Het betreft de grootste erfgoedvraag van nu', stelt directeur Guus Beumer. 'Voorheen ontbrak het aan politiek draagvlak en geld om iets te doen met de ontbrekende erfgoedopdracht voor design en digitale cultuur. Maar met het nieuwe kabinet, dat erfgoed expliciet op de agenda heeft gezet, lijkt dit het juiste moment. Zeggen dat het belangrijk is, is echter niet genoeg. Er moet echt iets gebeuren, een beslissing worden genomen over die bedreigde archieven. Dat kan ook betekenen dat er niets mee wordt gedaan, maar dan is dat in ieder geval duidelijk.'

 Archieven zijn volgens Beumer van groot belang omdat ze kunnen helpen bij het 'visualiseren van de radicale veranderingsprocessen die design doormaakt'. De manieren waarop dat kan zijn legio. 'De potentie van een archief reikt verder dan alleen het papier. Het Nieuwe Instituut heeft zich in het verleden op verschillende manieren met archieven bezig gehouden: als instrument voor onderzoek, als bron van collectief geheugen en als referentie voor vragen omtrent identiteit en nationaliteit. Dat werd zichtbaar in bijvoorbeeld Rath & Doodeheefver van Lernert & Sander dat we voor het eerst tijdens de Salone di Mobile hebben laten zien, en DesignDiorama van Makkink & Bey, waarin hun woonkamer wordt opgevat als archief.'

 Beumers plannen zijn nog in een oriënterende fase. Waar de dependance moet komen en hoe het eruit gaat zien, is nog onduidelijk. Wel weet hij dat het een tijdelijke entiteit moet zijn, vergelijkbaar met Out of Storage dat hij in 2011-2012 in Maastricht realiseerde, en dat het zal voortborduren op het Nationaal Ontwerpers Archief van Premsela. Samenwerking is bovendien een groot goed, verduidelijkt Beumer. 'Wij willen dit onderwerp zeker niet monopoliseren. Als sectorinstituut zijn wij eigenaar van de vraag, maar niet van het antwoord.' 

Dit artikel verscheen op 16 december 2017 in Dude, Dutch Designers Magazine.
Dude is los verkrijgbaar of als abonnement. 

Design in musea