Overslaan naar inhoud

#Artikelen

24.08.2020

Design begint niet bij design

Wat is de waarde van design voor een maatschappelijke organisatie? In de podcast Designers Inc. vertellen Stichting Je Goed Recht en Das Buro over hun samenwerking. Dit artikel gaat dieper in op hun aanpak en lessen.


Tekst door Roel Stavorinus 


Je Goed Recht biedt kosteloze rechtshulp aan Rotterdammers die dat nodig hebben — van een bezwaarbrief tot een eenvoudige procedure bij de rechtbank. De organisatie bestaat sinds 2020. Ze begon met twee spreekuren in een klein kantoortje op de Hillevliet, met vier collega’s. Inmiddels heeft ze drie winkels en acht spreekuren in de stad. Het aantal dossiers groeide van 43 in 2020 naar bijna 7.000 in 2025.

Dat is geen geleidelijke groei. Dat is een organisatie die in vijf jaar tijd volwassen is geworden — en die, net als ’s Heeren Loo, in een eerdere aflevering van Designers Inc., serieus heeft geïnvesteerd in een ontwerpende manier van werken. Voor de meest recente aflevering sprak ik met Myrte Langevoord, communicatieadviseur bij Je Goed Recht sinds 2022, en Dennis van den Meulen, managing director van Das Buro — het strategisch merk- en designbureau waarmee de stichting sinds 2024 samenwerkt.


Van twee spreekuren naar een stad

Je Goed Recht vult een gat. De gemeente biedt minder rechtshulp dan voorheen. Wat overblijft is wat Myrte ‘de lokettenjungle’ noemt: veel instanties, elk met hun eigen thema, weinig plekken waar iemand gewoon kan binnenlopen met een probleem — welk probleem dan ook. En dat is precies waarmee Je Goed Recht zich onderscheidt. Een brede ingang voor iedereen: van een bezwaar bij een parkeerboete tot een erfeniskwestie. Wat de organisatie niet zelf kan oplossen, verwijst ze warm door.


De stijl die niet meer paste

De eerste visuele identiteit van Je Goed Recht ontstond zoals bij veel startende organisaties: een bureau uit het netwerk dat kon helpen met een logo, een website, een flyer. Een goede basis, voor een paar jaar prima genoeg. Maar de organisatie groeide sneller dan haar eigen uitstraling. De website bood niet meer genoeg ruimte voor wat er te vertellen viel. De stijl — zacht, corporate, pastel — paste bij vriendelijkheid, maar hielp niet in het onderscheidend vermogen. Iets klopte niet meer, en tegelijkertijd kon niemand precies aanwijzen waarom.

Dat gevoel werd niet uitgebreid onderzocht. Er was geen marktonderzoek, geen uitgebreide meting. Wel een aantal straatgesprekken: circa twintig mensen werd gevraagd of ze de stichting kenden, en wat ze ervan vonden. Een klein onderzoek, maar genoeg om te bevestigen wat de organisatie eigenlijk al wist. In 2024 ging Je Goed Recht op zoek naar een partner — niet voor een nieuw logo, maar voor een grotere vraag. De briefing ging over positionering, over doelgroepen die niet werden bereikt, over de vraag hoe de organisatie zich professioneler kon tonen zonder haar toegankelijkheid te verliezen. Het woord design kwam er niet of nauwelijks in voor.


Design als laatste stap, niet de eerste

Das Buro werd gekozen omdat het de vraag het beste leek te begrijpen. Dat is geen toeval. Dennis beschrijft een vaste volgorde die het bureau hanteert: eerst de doelstelling scherp krijgen. Dan de positionering — wie zijn de vergelijkbare partijen, wie is de doelgroep, wat zoekt die doelgroep? Pas daarna, helemaal aan het einde, komt de vraag welk middel je inzet om dat doel te bereiken. Soms is dat een website. Soms een verpakking. En soms is de gevel van een winkel het belangrijkst.

Design is in die volgorde niet het startpunt. Het is een uitkomst. Wie te snel naar het middel springt — een logo, een huisstijl — beantwoordt een vraag die nog niet gesteld is en die wellicht het probleem niet oplost. Dat verklaart ook waarom de nieuwe identiteit van Je Goed Recht geen breuk werd met de oude, maar een aanscherping. De vriendelijkheid bleef. Wat veranderde was de precisie waarmee die vriendelijkheid werd ingezet.


Wat er veranderde

De kleur geel ging van bijzaak naar handtekening — fel, positief, en inmiddels het eerste waaraan mensen in de stad de organisatie herkennen. De fotografie maakte plaats voor illustraties: een bewuste keuze, want fotografie dwingt je om te kiezen wíe je laat zien, en wie er dus niet bij hoort. Met illustraties kun je beter laten zien dat bij Je Goed Recht iedereen welkom is.

De teksten werden korter. Om zo min mogelijk een drempel op te werpen — voor wie laaggeletterd is, of de taal nog niet goed spreekt. En de stijl moest overal precies hetzelfde werken: op straat, op de bakfiets, in de winkel en online. Een huisstijlgids die op papier klopt, levert in principe niets op. Het gaat om die plekken waar mensen de organisatie daadwerkelijk tegenkomen.

En daar moet je continu scherp op zijn en zoeken naar de kansen. Een mooi voorbeeld is het sociaal jaarverslag. De meeste organisaties maken daar een net en feitelijk boekje van. Je Goed Recht en Das Buro kozen voor een creatieve invulling, bedoeld om beter opgepakt te worden — één editie gebruikte een rolmaat om de impact van de organisatie letterlijk meetbaar te maken. Geen extra inhoud. Dezelfde boodschap, maar memorabel vormgegeven.


Waarom het werkt

Je Goed Recht werkt met één creatief bureau. Geen aanbesteding per project, geen wisselende partners. Beide partijen noemen dat bewust een voorwaarde. Dennis stelt het scherp: een bureau kiest evengoed een opdrachtgever als andersom. Bij Je Goed Recht was er een natuurlijke interesse — hij woont zelf in Rotterdam, komt de stichting tegen in de stad. Die betrokkenheid is niet in een contract te vangen, maar bepaalt wel of een samenwerking een relatie wordt in plaats van een dienst.

Myrte noemt er een tweede voorwaarde bij: nieuwsgierigheid. Niet alleen naar de opdracht, maar naar elkaar. Gesprekken tussen opdrachtgever en ontwerper gaan al snel over de inhoud — de vraag, het probleem, de planning. Minstens zo waardevol is het gesprek ernaast: wie ben jij, en hoe werk jij? Welke ervaring en aanpak brengt de ontwerper mee? En omgekeerd: in welke wereld opereert de opdrachtgever, welke zorgen spelen er, wat weegt het zwaarst? Bij de samenwerking met Das Buro was dat een bewust startpunt. Geen kennismaking vooraf, maar een deel van het proces zelf.

Daar hoort een derde voorwaarde bij: een basis voor kwetsbaarheid. Niet alleen bij de opdrachtgever, die intern moet uitleggen waarom een bureau nodig is. Ook bij het bureau zelf — dat moet durven zeggen wat het niet weet. Dennis noemt het voorbeeld van de architect: vraag een architect om een oplossing, en het antwoord is een gebouw. Niet omdat een gebouw altijd de juiste oplossing is, maar omdat het is wat een architect kan bouwen. Een bureau dat zijn eigen grenzen kent, stuurt niet automatisch naar de meest voor de hand liggende oplossing.

Myrte vervult daarbij een rol die belangrijk is om te benoemen: die van verbinder tussen bureau en organisatie. Zij moet intern uitleggen wat een investering in vormgeving oplevert, aan collega’s voor wie dat geen vanzelfsprekendheid is. Dat is een kwetsbare positie — niet omdat het bureau het moeilijk maakt, maar omdat de waarde van het werk zich niet altijd zo duidelijk laat aanwijzen.


Waar het nog schuurt

Vraag Myrte om de waarde van het afgelopen jaar hard te maken, en het antwoord is eerlijk: een gevoel, bevestigd door groeiende zichtbaarheid in de stad, maar niet onderbouwd met harde cijfers. Ook Dennis erkent dat, en stelt het achteraf nog scherper: onderzoeken en meten is voor hem niet een leuke toevoeging aan het proces, maar de kern ervan. Zonder dat weet je simpelweg niet wat het effect daadwerkelijk is geweest — hoe goed het gevoel ook is. Zijn eigen advies zou zijn om altijd onderzoek te doen, hoe groot of klein ook — de straat op, vragen wat mensen van de nieuwe uitstraling vinden. Niet omdat hij twijfelt aan de waarde. Maar omdat ‘het voelt goed’ een zwakke pitch is, ook als het klopt.

Daar zit een structureel probleem. Ontwerpprojecten zoals deze zijn vaak iteratief van aard, en vaak is het niet één project, maar een reeks projecten die voor verbetering zorgt. Dat maakt het lastig te vangen in cijfers. Dennis benoemt nog iets fijnzinnigers: een deel van wat een goede samenwerking oplevert, is achteraf niet meer te herleiden tot één knop, één kleur, één beslissing. Het ontstaat in de ruimte tussen bureau en opdrachtgever. Dat is precies waarom het moeilijk te verkopen is — en precies waarom het waarde heeft.


Misschien is het wel helemaal geen design

Het woord design valt in dit gesprek nauwelijks. De woorden die wel vallen zijn: zichtbaarheid, uitstraling, strategie, communicatie. Zelfs het woord ‘merk’ wordt eigenlijk niet benoemd. Myrte gebruikt dat woord vooral in haar eigen hoofd, als communicatieadviseur. Maar binnen de organisatie zelf leeft het woord amper.

Dat is geen toeval, en het is ook niet uniek voor deze stichting. Organisaties denken zelden in de termen van het vakgebied dat ze inhuren. Ze denken in de termen van hun eigen praktijk: bereiken we de juiste mensen? Vertrouwen ze ons? Vinden ze de weg naar binnen?

Dennis wijst na afloop op wat daar achter zit: jargon. Het speelt altijd een rol in het gesprek tussen bureau en opdrachtgever — niet als sfeerprobleem, maar als praktisch obstakel. Zolang beide partijen niet hetzelfde doel helder voor ogen hebben, blijft er ruis staan tussen wat het bureau bedoelt en wat de opdrachtgever hoort. Elkaar begrijpen is dan niet aardig meegenomen. Het is de voorwaarde waaronder de rest pas kan werken.

Misschien is dat de echte les — niet alleen voor Je Goed Recht, maar voor het vakgebied. Niet de vraag hoe je organisaties het woord design leert gebruiken. Maar de vraag hoe je, zonder dat woord, precies datgene levert waar ze wél naar zoeken.